Burnouts zijn in

Ik zat in de wachtkamer van de bedrijfsarts. Om de moed er in te houden had iemand de glazen vitrine naast mij gevuld met antieke scalpels, injectiespuiten en een blaasbalg, keurig voorzien van een etiket. Terwijl ik op mijn beurt wachtte, bestudeerde ik de blaasbalg waarvan de medische toepassing mij volledig ontging.

Ik vroeg me af hoeveel patiënten voortijdig waren afgehaakt, na het zien van deze  medische expositie. Op het tafeltje voor mij lag een krant. ‘Burnouts verdubbeld sinds crisis’, luidde de kop van de economische pagina. Vooral het onderwijs bleek veel opgebrande mensen te tellen.

Burnouts

Ik werk in het onderwijs. En ik had een burnout. Tenminste, dat dacht ik, want niemand had het ooit met zoveel woorden tegen me gezegd. Maar toen ik op de medische vragenlijst een week eerder,  pleinvrees, hyperventilatie, concentratiestoornissen en huilbuien aanvinkte, leek mij dat een mogelijkheid. Tenzij dat natuurlijk symptomen van de builenpest of de vlektyfus waren. Maar dan zou ik het gauw genoeg horen.

Ik werd binnengeroepen. Een jonge man in een hip bloemetjesoverhemd vroeg wat er aan scheelde en voor ik het wist, huilde ik het glazen blad van zijn bureau nat.  Recent verlies in combinatie met oud zeer en ongeneeslijk zieke vrienden en familie passeerden hortend en stotend de revue. Het was even klaar. De man knikte begripvol en pinkte een traantje mee. “Het is duidelijk dat u even rust moet krijgen”, zei hij terwijl hij me nog een doos Kleenex aanreikte.

Orde houden

“Maar”, zei hij even later en leunde bedachtzaam in zijn bureaustoel naar achteren. De vingertoppen tegen elkaar in een gebaar dat bedachtzaamheid en aarzeling moest uitdrukken. “U werkt in het onderwijs.” Het was een feit, geen vraag.

De arts boog zich weer naar voren. “Kunt u eigenlijk wel orde houden?” Ik staarde de man verbaasd aan. “Orde?”, herhaalde ik. “Nou ja, veel mensen hebben problemen met lesgeven en raken daar overspannen van”, reikte hij behulpzaam aan.

Pubers

“Oh, ik heb eigenlijk geen ordeproblemen. Nooit gehad ook, sorry.”  “Tsja”, zei de arts, “dat is op zich ook best eigenaardig. Dat u nooit problemen met lesgeven heeft gehad. Zou het niet zo kunnen zijn, dat u zichzelf wat overschat. Dat u denkt dat het goed gaat, maar dat dat niet het geval is?” Nu was ik alert.

Ik schoot overeind in de stoel en voelde hoe mijn verdriet met een bonk van mijn schoot viel en plaats maakte voor ongeduld.  “Luister, mijn werk is niet mijn probleem. Ik vind mijn werk leuk. Geloof het of niet, maar ik vind pubers zelfs leuk!”

Therapeutische basis

“Jawel, dat is misschien wel zo, maar misschien is het toch verstandig dat we straks eens gaan kijken of u niet op therapeutische basis aan de slag moet, daar waar u niet direct in contact met jonge mensen staat. In een bibliotheek of zo.”

 “Een bibliotheek”, echode ik.  Wat zou ik in godsnaam in een bibliotheek moeten doen?  Luister, of ik ben ziek of ik ben fit. En in dat laatste geval ga ik gewoon lesgeven.  Ik ga geen boeken scannen in een bibliotheek. Dat slaat nergens op.”

Agressief

De arts keek me doordringend aan. “Nu ja als u dat zegt. Ik vind wel dat u wat overtrokken reageert op mijn suggestie. Bent u altijd zo agressief?” Ik deed mijn mond open om wat te zeggen, maar klapte ‘m weer dicht. “Denkt u er maar eens goed over na. We zien elkaar over vier weken.”

En dus nam ik vier weken later weer plaats naast de vitrine met de blaasbalg. Het bloemetjesoverhemd was ditmaal vervangen door een exemplaar met ingewikkelde geometrische patronen.

Collega’s

Na de obligate vraag hoe het mij vergaan was,  lag nu de relatie met mijn collega’s op de snijtafel. “Uw omgang met uw collega’s? Hoe zou u die omschrijven?”  “Met sommigen kan ik het goed vinden, met anderen heb ik minder contact. Hoezo?”

Weer leunde hij bedachtzaam achterover. “De relatie met collega’s is oorzaak nummer één als het gaat om burnouts. “Mogelijk dat we daar eens nader in moeten duiken.”

Strijd

“Luister”, zei ik en ik hoorde hoe getergd mijn stem klonk. “Iedere dag is een strijd. Ik beschik over zo weinig energie dat alleen al uit bed komen een enorme opgave is. Mijn lijf voelt zwaar en doet pijn.  Iedere stap die ik zet, is een halve marathon. Mijn hoofd is wazig.  Ik kan niet  focussen en ik heb verdriet. Ik ben helemaal niet bezig met collega’s en leerlingen. Ik probeer overeind te blijven!” Dat laatste kwam er uit als een schreeuw.

De arts dook onwillekeurig naar achteren. “Ik bespeur weer die agressieve toon.  Ik heb sterk de indruk dat u uw gevoelens omtrent uw werk onderdrukt.” Ik keek de man aan. Nog even en ik ging om een behandeling met een blaasbalg smeken.  

De crisis

“Waarom denkt u zelf eigenlijk dat u ziek thuis zit?” “Ik denk dat het door de crisis komt”, zei ik kwaad . “Hmm fascinerend inzicht”, zei de arts en sloeg zijn laptop klap dicht alsof hij mijn medisch dossier afsloot.

Toen ik vier weker later weer naast de blaasbalg zat, werd ik binnengeroepen door een vrouw in een mantelpak. “Sorry” zei ze terwijl ze naar de laptop tuurde. “U zult het met mij moeten doen. Mijn collega is helaas voor onbepaalde tijd afwezig.”

Vlektyfus

Wat heeft ie, vroeg ik en wenste hem heimelijk de vlektyfus toe. De vrouw keek op van haar laptop en sprak nu ernstig: “Zeker weten doen we het niet maar we vermoeden een burnout.”

Tekst: Anneke de Bundel – Beeld: Kevin Ku

Share at:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Omdat je van verhalen houdt…

Omdat je wel wil lezen, maar niet steeds wil kijken of er al een nieuw verhaal is. Laat je e-mail achter en je krijgt een nieuw verhaal gewoon in je brievenbus.